Langs de grote rivieren kom je ze nog regelmatig tegen: oude steenfabrieken. In de panden collectie van BOEi bevinden zich vier steenfabrieken en een van deze is extra bijzonder: de steenfabriek Randwijk in Heteren waar nog altijd op ambachtelijke manier bakstenen geproduceerd worden. De fabriek is dus niet herbestemd, in tegenstelling tot vrijwel alle andere fabrieken. Nog specialer is dat de stenen die door Zilverschoon worden gemaakt, worden gebruikt in restauratieprojecten. Zo helpt de gerevitaliseerde steenfabriek met de restauratie en herbestemming van talloze andere monumenten.
Deze fabriek bestaat dit jaar 100 jaar. De verjaardag van steenfabriek Randwijk is een mooie aanleiding om nog eens nader naar steenfabrieken te kijken. Er zijn al allerlei verhalen gefilmd en geschreven over de verschillende steenfabriek van BOEi. We focussen ons deze keer alleen op de gebouwen zelf.
Fabrieksterreinen van de grofkeramische industrie (hieronder vallen ook dakpannen, vloertegels en gresbuizen en dergelijke) waren lang te herkennen aan hun typische structuur met vele langgerekte eenlaagse houten droogloodsen in combinatie met een of meerdere grotere gemetselde gebouwen met daarin de oven met schoorsteen. Vaak zijn de houten droogloodsen inmiddels al lang verdwenen maar staat het ovengebouw er nog. Het echte baksteenlandschappen met winningen, droogloodsen en ovens ontstonden aan het einde van e negentiende eeuw. Tussen ca 1850 en 1950 zijn er verschillende typen steenfabrieken ontwikkeld, met elk eigen specifieke technische kenmerken, gebruiksperioden en soms ook geografische verspreiding. De verschillende type ovens geven elk een fase aan in de technische ontwikkeling in de sector. Daarvoor veranderde het productieproces eeuwenlang weinig.



Veldoven (veldbakoven)
De veldoven (meiler) was geen permanent ovengebouw maar een eenmalige opeenstapeling van te bakken stenen (vormelingen) ter plekke op de grond. De grond kon eerst voorzien zijn van een vloer van al gebakken stenen. De stapel (gemiddeld ca. 10×20 m in omvang en 3 m hoog) werd van binnen voorzien van smalle stookkanalen en van buiten volledig ingesmeerd met leem/klei. Bij het opstoken brandde in de stapel verspreide brandstof (zoals turf of hout) langzaam de vormelingen af. Na enkele weken bakken werd de gestookte hoop afgebroken. De stenen werden gebruikt en bleef er geen ovenstructuur achter. Veldovens waren voor 1850 algemeen in gebruik bij kleinschalige steenmakerijen door heel Nederland, met name als seizoensgebonden nevenactiviteit in de landbouw. Dit type oven had een hoog brandstofverbruik en gaf sterk variërende bakresultaten (veel stenen waren ofwel over- of ondergebakken). Vanaf de late negentiende eeuw raakte de veldoven geleidelijk verdrongen door efficiëntere, permanente ovenconstructies.
Open oven
De open oven was het eerste permanente oventype en bestond uit één of meerdere gemetselde muren zonder dak. Deze muren konten telkens hergebruikt worden. Eerst werd tegen één stookmuur gestapeld, later verschenen ovens met twee, drie of vier muren rond de stapel. In de vierkante variant was in een van de muren een poort aangebracht om karren met stenen in- en uit te rijden. De stookgaten bevonden zich onderaan de muren. Soms werd een afdak toegevoegd ter bescherming tegen regen. Open ovens konden een grotere lading aan dan veldovens en waren beter geschikt voor bijvoorbeeld dakpannenbakkerijen, al bleef de oven open bovenkant een beperking vanwege de ongelijkmatige verhitting. Dit type kwam al sinds de middeleeuwen voor en bleef tot circa 1950 in gebruik. Restanten van open ovens zijn schaars.
Gesloten oven zonder schoorsteen
Vanaf de 15e eeuw werden kleine gewelfde ovens ontwikkeld. Deze gesloten ovens waren een doorontwikkeling van de vierkante open oven die werd voorzien van een gemetseld gewelf om zo meer controle op het proces te krijgen. De afgedekte bakruimte (ovenkamer) met gemetseld gewelf was voorzien van stookgaten in de zijwanden en een deur om het stapelen van de ongebakken producten en het uitnemen na bakken mogelijk te maken. Ze hadden nog geen schoorsteen. Zonder schoorsteen was de trek in deze ovens beperkt, waardoor het gelijkmatig bereiken van hoge temperaturen lastig bleef. Er ontstonden regionale varianten: zo kende Groningen de zogeheten “Duitse oven” met vaak een houten overkapping, terwijl elders de wat grotere “Hollandse oven” vaste gemetselde stookgangen had om tussentijds brandstof bij te voeden. Gesloten ovens zonder schoorsteen raakten in het begin van de twintigste eeuw buiten gebruik en zijn tegenwoordig zeer zeldzaam.
Gesloten oven met schoorsteen
Een belangrijke verbetering was de toevoeging van een schoorsteen aan de gesloten oven. Vanaf circa de negentiende eeuw werden gewelfde ovens gebouwd waarbij de verbrandingsgassen via een schoorsteen werden afgezogen. Dit creëerde sterkere trek, maakte hogere baktemperaturen mogelijk (nodig voor bijvoorbeeld gresbuizen) en zorgde voor gelijkmatiger bakresultaten. Afhankelijk van schoorsteenhoogte kon bovendien de richting van de vlam aangestuurd worden: naast ovens met opstijgende vlam verschenen varianten met horizontale en neerslaande vlam voor optimale warmteverdeling. De neerslaande-vlamoven bleek vooral praktisch: de vlam wordt naar de vloer getrokken, wat een gelijkmatige gloeihitte geeft. Bijna alle nog bestaande gesloten ovens met schoorsteen behoren tot het neerslaande-vlam-type. Deze ovens hadden het unieke voordeel dat men ermee kon smoren: tegen het einde van het bakproces werd de oven luchtdicht afgesloten, waardoor de ijzeroxide in de klei reduceerde in plaats van oxideerde, wat leidde tot karakteristiek zwart-grijs gekleurde producten. Dit smoorproces was commercieel aantrekkelijk voor speciale pannen. Gesloten ovens met schoorsteen bleven tot ver in de twintigste eeuw in gebruik bij kleinschalige dakpan- en steenfabrieken, verspreid over het land.
Ringoven
Een ringoven bestaat uit een permanent elliptisch of rechthoekig gebouw met een ringvormige rondgaande bakschacht. De ringoven markeert de overgang naar continu-ovens in de baksteenindustrie. Dit type werd in Nederland voor het eerst in 1868–1869 gebouwd. Een ringoven is 20 tot 50 meter lang en voorzien van meerdere poorten voor het inbrengen en uitnemen van stenen, een boven de schacht gelegen stookzolder, en een grote schoorsteen (centraal of aan de zijkant) voor de trek. Bij de ringoven wordt het vuur continu in stand gehouden: tijdens het seizoen dooft het vuur niet meer, maar verplaatst zich geleidelijk door de ring. In een doorlopend proces stapelen arbeiders (inzetters) aan de ene kant van het vuur steeds nieuwe ongebakken stenen voor, terwijl aan de andere kant uitgehaalde gebakken stenen (uithalers) worden verwijderd. Hierdoor gingen geen tijd en warmte meer verloren aan telkens opstarten en afkoelen. Dit was een enorme efficiëntiewinst ten opzichte van de periodieke ovens. De capaciteit van een ringoven lag veel hoger en het brandstofverbruik per baksteen was aanzienlijk lager. Vanaf de late negentiende eeuw verdrong de ringoven dan ook langzaam de oudere ovens. Ringovens kwamen vooral tot hun recht in gebieden met grootschalige kleiwinning en goede transportmogelijkheden: in het rivierengebied (langs Rijn, Waal, Maas, IJssel en in kleirijke delen van Groningen. Exemplaren van vroege ringovens (19e-eeuws) zijn bewaard gebleven in diverse provincies. Tot de jaren 1990 waren er zelfs nog werkende ringovens: steenfabriek De Werklust in Losser, een van de vier steenfabrieken van BOEi, bleef tot laat 20e eeuw produceren met een ringoven.


Zigzagoven
De zigzagoven is een vroege twintigste-eeuwse variatie op de ringoven, ontworpen om het rendement verder te verhogen. Bij deze constructie is de doorgaande ovensleuf als een harmonica in zigzag- of labyrinth-vorm gelegd, vaak op een rond of vierkant grondplan. Het zigzagverloop van de schacht verlengt de afstand die de hete gassen afleggen, waardoor de warmte maximaal wordt benut voordat de rook de schoorsteen bereikt. In Nederland verscheen de eerste zigzagoven in 1911. Ovenontwerper J.J. Wentink bouwde belangrijke voorbeelden: een ronde zigzagoven in 1913 (Rosandapolder, Wageningen) en een grotere ronde zigzagoven in 1926 bij steenfabriek De Panoven in Zevenaar. Deze ovens konden egaler en zuiniger stoken dan de rechte ringovens. De toepassing bleef echter beperkt; zigzagovens zijn zeldzaam gebleven en werden niet op zeer grote schaal nagevolgd. De overgebleven exemplaren zijn daarom zeldzaam. Steenfabriek de Bovenste Polder in Wageningen en Steenfabriek Randwijk in Heteren zijn voorbeelden van een zigzagovens.



Vlamoven
De vlamoven (officieel een kamerringoven met overslaande vlam genoemd) is een variant van de ringoven waarbij de oven is opgedeeld in een reeks aaneengeschakelde kamers in plaats van één doorlopende ring. Het eerste exemplaar werd in Nederland in 1915 gebouwd. De vlamoven is doorgaans trapeziumvormig van opzet en bevat ovenkamers die tegen elkaar aan liggen, gescheiden door muren met roosters onderin zodat hete gassen kunnen doorstromen van de ene kamer naar de volgende. Elke kamer heeft een eigen deur voor belading en ontlading, en boven de kamers bevindt zich – net als bij de ringoven – een doorlopende stookzolder en een centrale schoorsteen. Het stoken gebeurt kamer voor kamer: het vuur “wandelt” rond door achter elkaar aangrenzende kamers te stoken (de vlam overslaat van de ene kamer naar de volgende), terwijl andere kamers afkoelen of voorverwarmen. Dit rondgaande vuursysteem lijkt op dat van de ringoven, maar de onderverdeling in kamers maakt de vlamoven bijzonder geschikt voor specifieke producties. In de praktijk werden vlamovens vooral ingezet voor het bakken van straatklinkers. Deze zware klinkers vereisen langer en heter stoken, iets waarin de vlamoven uitblonk. Het rivierengebied, met zijn taaie klei die zich perfect leent voor harde klinkers, werd de thuisbasis van veel vlamovens – vanaf circa 1915 werd de vlamoven een kenmerkend type in deze regio. Tegen 1950 waren ruim 70 vlamovens in gebruik in Nederland, vrijwel allemaal langs de grote rivieren. De vlamoven vertegenwoordigt een verdere verbetering in efficiëntie en specialisatie binnen de continu-ovens, totdat modernere systemen het overnamen. Steenfabriek de Bunswaard van BOEi is een vlamoven.



Tunneloven
De tunneloven vormt de laatste grote stap in ovenontwikkeling en luidt het tijdperk van volledige industrialisatie in. Het concept werd in Nederland rond 1906 voor het eerst gebouwd maar zou pas decennia later algemeen doorbreken. In een tunneloven blijven vuur en verbrandingszones op één plek, terwijl de gestapelde stenen op wagentjes door de oven bewegen. Een typische tunneloven bestaat uit een rechte, circa 80–120 m lange doorlooptunnel met rails, onderverdeeld in een voorwarmzone, hete stookzone in het midden, en een koelzone. Wagenladingen ongebakken steengoed worden aan één kant de tunnel ingereden en passeren geleidelijk deze zones, om aan de andere kant als gebakken product tevoorschijn te komen. Stookgaten in de tunnelwand en vaak gasbranders of vernuftige luchtcirculatie zorgen voor gecontroleerde verhitting. Het grote voordeel is dat de oven continu op temperatuur kan blijven zonder stilstanden, wat theoretisch een zeer zuinig proces oplevert. In de praktijk vergde de tunneloven precieze afstemming op de kleisoorten; de temperatuurregeling was complex en maakte dat vroege tunnelovens in Nederland moeite hadden om consistente kwaliteit te leveren. Hierdoor bleef grootschalige invoering lang uit. Pas na de energiecrisis van de jaren 1970 – toen brandstofefficiëntie urgent werd en de techniek voldoende verfijnd was – werd de tunneloven op brede schaal toegepast. In de hedendaagse baksteenfabrieken is de tunneloven het meest gangbare ovensysteem.
Hiermee is de cyclus rond: waar veld- en ovenbakkers ooit afhankelijk waren van seizoenen en handwerk, maken moderne fabrieken het hele jaar door gestandaardiseerde bakstenen met volautomatische tunnelovens. Iedere ovenuitvoering – van de eenvoudige veldoven tot de hypermoderne tunneloven – vertegenwoordigt een fase in de technische en geografische ontwikkeling van de Nederlandse steenfabrieken en illustreert hoe productievolume, energiegebruik en productkwaliteit door de tijd heen zijn verbeterd.
Bron schematische afbeeldingen: PIE Rapportenreeks 7 Grofkeramische Industrie
Foto header: Steenfabriek Randwijk, Jan van Dalen Fotografie
























